Taalontwikkeling

Om de taalontwikkeling te stimuleren is een uitgebreid en gevarieerd taalaanbod nodig, dat aansluit bij de ontwikkelingsfase van elk kind.

Baby’s

Bij baby’s stimuleren de medewerkers de spontane taalontwikkeling onder meer door voor ze te zingen, tegen ze te praten en met geluiden imitatie- en kiekeboespelletjes te doen zodat ze vertrouwd raken met de klanken van de taal. Eén van de medewerkster van de baby,-dreumesgroep heeft de cursus ‘babygebaren’ gevolgd. Zij verzorgt cursussen voor ouders maar ook voor de medewerkers van Snoopy. Werken met gebaren is een vast onderdeel op de baby,-dreumesgroep. D.m.v. gebaren kunnen de kinderen duidelijk maken wat zij bedoelen en de groepsleidster kan hier actief op reageren én begrijpt wat kinderen bedoelen. Hierdoor zullen kinderen ook minder gefrustreerd raken.

Dreumessen en peuters

Bij dreumesen en peuters is de taalstimulering meer gericht aan de hand van thema’s die aansluiten bij de belevingswereld van het kind. Een voorbeeld van zo’n thema is ‘lijf’. De medewerkers kiezen een aantal woorden die met dit thema te maken hebben, zoals armen, benen, neus of mond. Door vervolgens deze woorden spelenderwijs te gebruiken en te herhalen bij bijvoorbeeld het eten, in een opzegversje of bij het voorlezen uit een prentenboek, leren zij de kinderen deze woorden te begrijpen en ook zelf te gebruiken. Bij kinderen die een extra steuntje in de rug nodig hebben wordt de ontwikkeling van de woordenschat bovendien nauwkeurig bijgehouden.

De medewerkers stimuleren de taalontwikkeling door:

  • liedjes te zingen
  • voor te lezen
  • een verkeerd uitgesproken woord goed te herhalen
  • te verwoorden wat zij doen, voornamelijk bij baby’s
  • met gebaren te werken
  • op eigen taalgebruik te letten
  • zelf veel taal te gebruiken
  • kinderen leren om bepaalde dingen te vragen

Tweetalige ontwikkeling

Onder tweetalige ontwikkeling verstaan we het aanleren van twee talen in plaats van één, meestal omdat één van beide ouders uit een andere cultuur afkomstig is. De taal van de ouder(s) wordt beschouwd als moedertaal en de taal van het land waar ze nu wonen als de tweede taal.

Als kinderen al (gedeeltelijk) een eerste taal hebben verworven, spreken we van tweede taalverwerving. Deze kan op verschillende manieren plaatsvinden: ongestuurd en gestuurd. Ongestuurde verwerving betekent dat het kind de taal leert door veel met mensen te praten, gestuurde verwerving door middel van een bepaalde leermethode. Deze processen werken op elkaar in en vullen elkaar aan.

Bij heel jonge kinderen (vanaf 10 weken) die nog geen enkele taal hebben verworven spreken we van ‘tweetalig opvoeden’, omdat de twee talen (vrijwel) tegelijk worden aangeleerd. Dit wordt ‘simultane (gelijktijdige) taalverwerving’ genoemd. In feite verloopt de verwerving per taal hetzelfde als bij ééntalige kinderen. Er bestaat kans dat de ontwikkeling iets trager verloopt, omdat het leren van twee talen tegelijk meer tijd kost. Maar ook tussen tweetalige kinderen onderling bestaan enorme verschillen in taalverwerving. Hoe beide talen zich ontwikkelen hangt vooral af van hoe vaak de kinderen met elke taal in contact komen.

Kinderopvang Snoopy

De kinderen van allochtone ouders leren op Kinderopvang Snoopy op een ongestuurde manier veel van de Nederlandse taal. De taalontwikkeling bij tweetalige kinderen wordt daarnaast gericht gestimuleerd, op dezelfde wijze als bij ééntalige kinderen.

De medewerkers houden de taalontwikkeling van het kind nauwlettend in de gaten. Als zij merken dat het kind hier problemen mee heeft of achter loopt wordt samen met ouders kortgesloten hoe hier mee om gegaan wordt om de ontwikkeling te verbeteren.

Taalontwikkeling

Taal is een belangrijk ontwikkelingsaspect. Het leren van een taal zorgt ervoor dat kinderen zich verstandelijk verder kunnen ontwikkelen. In de omgang met andere mensen is taal hét hulpmiddel om met elkaar te communiceren. Het overbrengen van kennis op school zou bijvoorbeeld niet mogelijk zijn zonder taal om elkaar te kunnen begrijpen.

Vooral de eerste vijf levensjaren zijn een geschikt moment om veel aan taalontwikkeling te doen. Dit is de zogenaamde ‘gevoelige periode’ voor het aanleren van taal: kinderen pikken een taal in deze periode meestal snel op.

In de eerste levensjaren worden de basisvaardigheden, die nodig zijn voor het tot stand komen van taal, ontwikkeld: geluiden maken, luisteren, herkennen van voorwerpen, ontdekken dat alles een naam heeft en ervaren dat het de moeite waard is om te praten en te luisteren. Nu ontwikkelt zich het passief taalgebruik: het kind begrijpt wat er gezegd wordt, maar gebruikt de woorden zelf nog niet.

Het verschilt van kind tot kind wanneer het eerste woord verschijnt (meestal rond het eerste levensjaar). Zodra kinderen woorden gaan zeggen, spreken we van actief taalgebruik. Het eerste woord is nog een ‘brabbel’ met een vaste betekenis. Wat de uitspraak betreft hoeft deze brabbel nog niet volmaakt te zijn. Het kind is vanaf dat moment in staat om een verband te leggen tussen een klank en een bepaalde persoon, gebeurtenis of voorwerp. De betekenis van zo’n woord is afhankelijk van de situatie. Door een woord telkens op een ander manier uit te spreken kan een kind er verschillende dingen mee duidelijk maken. Op die manier kan één woord zelfs een hele zin uitdrukken. Het wordt dan ook ‘één-woord-zin’ genoemd. Als een kind bijvoorbeeld ‘Auto…!’roept, kan dat betekenen: “Kijk, daar is de auto!” Als het echter zegt: ‘Auto…?’ dan kan het bedoelen: “Gaan we met de auto?”

Na de één-woord-zin komt al snel de twee-woorden-zin. Eerst plakt het nog twee zinnetjes aan elkaar, bijvoorbeeld: ‘Mama? Weg!’, om later te komen met een nieuwe zin: ‘Mama weg!’De uitspraak van de woorden is meestal nog niet zo goed, maar het kind is al redelijk verstaanbaar.

Na de twee-woorden-zin komt in het tweede en derde levensjaar de meer-woorden-zin. Dit is de periode waarin de woordenschat enorm wordt uitgebreid. Kinderen hebben in deze periode een grote drang om dingen te benoemen en zij kunnen daardoor eindeloos aan hun omgeving vragen: ‘Wat is dat?’om woorden te leren. De taalontwikkeling gaat hierna zeer snel. Het kind leert tussen het tweede en vijfde jaar niet alleen nieuwe woorden, maar ontdekt ook de grammaticale regels. De zinsopbouw is nog niet altijd goed, maar het kind is voor het grootste deel te verstaan en te begrijpen. Door te leren van de omgeving gaat de kindertaal gaandeweg meer lijken op de volwassen taal.

De eerste jaren vindt actief taalgebruik voornamelijk plaats met de ouders. Wanneer een kind met leeftijdgenoten samen is, zal het nog niet mét hen, maar in zichzelf praten. Ook praten kinderen vaak in bed; dit worden wel ‘bedtime-monologen’ genoemd. Rond het vijfde jaar wordt de taal tevens een efficiënt communicatiemiddel met leeftijdgenoten. Er zijn steeds minder afwijkingen met het volwassen taalgebruik: de taal is verstaanbaar, redelijk goed opgebouwd en bevat veel woorden in lange zinnen.

Hij is helemaal weg van Snoopy

Wij brengen ons zoontje nu ruim een jaar naar Snoopy.

Google review, René Jurgens

Themamaand

Afgelopen maand hebben wij gewerkt rond het thema wilde dieren. Er werden leuke boeken [...]

Hitteprotocol

Met dit warme weer is ons hitteprotocol van kracht. Dit betekent dat wij een [...]