Sociaal-emotionele ontwikkeling

Ons doel als medeopvoeders is de kinderen een veilige en vertrouwde omgeving bieden, waarin zij zich kunnen ontwikkelen tot individuele, maar toch sociaal denkende en voelende mensen. Er wordt hen geleerd dat iedereen gelijk is en elkaar moet accepteren zoals hij/zij is.

Rolpatronen worden doorbroken door alle kinderen zowel jongens als meisjes speelgoed aan te bieden: meisjes kunnen als zij dat willen met auto’s spelen en jongens in de huishoek. Met dit doel worden zo mogelijk ook mannelijke medewerkers aangenomen. Discriminerende uitlatingen tussen de oudere kinderen onderling worden door de leiding bespreekbaar gemaakt.

Regelmaat

Regelmaat, duidelijkheid en een goede relatie tussen kind en medewerker zijn de voorwaarden voor deze opvoedingsdoelen. Het kind moet de gelegenheid krijgen om zich te kunnen hechten aan de medewerker. Met dit doel werken er op elke groep vaste medewerkers, met een vast werkrooster. Bij ziekte of verlof heeft Kinderopvang Snoopy de beschikking over vaste invalkrachten. Daarnaast is de staf en zijn de leidsters beschikbaar om in te springen bij onvoorziene omstandigheden. Op deze manier heeft elk kind zoveel mogelijk vertrouwde gezichten om zich heen en hoeven wij geen beroep te doen op een uitzendbureau.

Wennen

Voor het wennen in een nieuwe groep wordt uitgebreid tijd genomen. Weg zijn van de ouders is voor de kinderen eerst heel moeilijk, ook al worden zij nog zo goed opgevangen.

Kinderen hebben vaak wel enkele weken nodig om te wennen, ook als dit op het eerste gezicht heel makkelijk lijkt te gaan. Dat ze nog niet gewend zijn kan b.v. blijken uit: huilen als de opvoeder weggaat, veel aandacht vragen van de medewerker of stil en teruggetrokken zijn, moeilijk eten en slapen. Hoe snel een kind went en zich op zijn gemak voelt is onder meer afhankelijk van:

  • Het vertrouwen van de ouders in de groep en de medewerkers
  • De mate van overeenstemming tussen de situatie thuis en in de groep
  • De ontwikkelingsfase van het kind
  • Het temperament, karakter van het kind
  • Hoe makkelijk een kind zich kan hechten aan andere mensen
  • De structuur en regelmaat op de groep, en daardoor de voorspelbaarheid van de situatie voor het kind
  • De ervaring en het inzicht van de medewerkers in de omgang met kinderen
  • Het aantal dagdelen dat het kind komt

Deze punten zijn eigenlijk voorwaarden voor een goede kinderopvang en daarom willen wij hieraan veel aandacht besteden. Om bij de ouders vertrouwen te wekken in de opvang en om deze zoveel mogelijk af te kunnen stemmen op de thuissituatie, worden zij uitgebreid geïnformeerd en wordt actief met hen samengewerkt. Als kinderen erg bang zijn de eerste tijd in de groep, kan het b.v. helpen om iets vertrouwdst van thuis mee te nemen of om in de groep uitgebreider de tijd te nemen voor het afscheid van de ouders. In dit kader hechten wij ook veel belang aan de dagelijkse oudercontacten bij het halen en brengen van de kinderen. Daarnaast organiseren wij regelmatig ouderavonden waarbij een bepaald (opvoedings-) thema gezamenlijk kan worden uitgediept.

Zelf ontdekken en doen

In de dagelijkse, veilige en vertrouwde omgeving van de groep worden de kinderen gestimuleerd om zoveel mogelijk dingen zelf te ontdekken en te doen. Als een kind zich b.v. zelf wil aankleden, ook al kan het dit nog niet zo goed, dan krijgt het hiervoor wel de gelegenheid. De medewerkers staan hierbij echter steeds klaar om in te springen als het niet lukt. Op deze manier bouwen kinderen zelfvertrouwen op en leren zij zelfstandigheid.

Contact

Ook het contact tussen de kinderen onderling wordt aangemoedigd, zowel d.m.v. de inrichting van de ruimten (b.v. duo-boxen in de babygroep) als door de houding van de medewerkers en de activiteiten die zij aanbieden. Hierbij wordt echter steeds rekening gehouden met de individuele behoeften van de kinderen en de wensen van de ouders.

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Kinderen bevinden zich vanaf hun geboorte onder andere mensen en ze horen bij een groep. Het gezin is voor de meeste  kinderen de belangrijkste, “primaire”-leefgroep. In de eerste levensjaren worden kinderen nog onvoorwaardelijk in de verschillende groepen opgenomen. Zodra zij echter oud genoeg zijn wordt er van hen verwacht dat zij zich bepaalde kennis, vaardigheden en bepaald gedrag eigen maken waardoor zij in de groep gaan passen; het proces van socialisatie.

De ontwikkeling bij elk kind verloopt van afhankelijkheid, via aanhankelijkheid naar zelfstandigheid. Om te kunnen opgroeien tot een zelfstandig mens is elk pasgeboren kind afhankelijk van de zorg en bescherming van de opvoeders. De eerste maanden is een baby nog niet kieskeurig in wie met hem omgaat: iedereen mag hem troosten, kalmeren en laten lachen. Na zo’n drie maanden  worden baby’s zich echter bewust van de omgeving en van de aanwezigheid van bepaalde personen. Zij kunnen dan b.v. een tijdlang heel intens naar iemand staren. In die periode is het belangrijk dat zij te maken krijgen met vaste personen in hun omgeving.

Als kinderen ouder worden, worden zij ook steeds handiger in het contact leggen met opvoeders en leeftijdsgenootjes. Door een toenemende bewegingsvrijheid kunnen zij mensen opzoeken en met hen brabbelen of spelen. Bij eenjarigen ontstaat het gebaar van geven en pakken. Eerst gebeurt dit zonder dat de kinderen elkaar aankijken, later ontstaat hierbij ook oogcontact en wordt het een sociaal spel. Het karakter van een kind speelt al een grote rol bij de manier waarop hij met anderen omgaat. Dit contact vormt een bron van plezier en een stimulans om te leren van de mensen om hem heen.

Ronde het tweede jaar

Rond het tweede levensjaar wordt het kind eigengereider, het gaat zich meer als een zelfstandig persoon presenteren. Het verstand is nu voldoende ontwikkeld om personen en dingen te onderscheiden en er verschillend op te reageren. Met woorden en gebaren kan het daarbij  steeds beter gevoelens, gedachten en wensen uitspreken. Het kind wordt zich ook steeds beter bewust van de eigen mogelijkheden en wil vaak alles zelf doen, ook al lukt dit nog niet altijd. Dit kan veel geduld vergen van de opvoeders.

Tussen het derde en vijfde jaar

Tussen het derde en vijfde jaar worden kinderen vaak wat “agressiever”. Dit is de leeftijd waarop de sociale ontwikkeling in een  stroomversnelling komt.  Het kind kan nu steeds beter voor zichzelf opkomen en weet goed duidelijk te maken wat het wil. In het contact met leeftijdsgenootjes is het toeziend oog van een volwassene vaak nog nodig om te bemiddelen tussen de kinderen, die elk hun eigen zin willen krijgen. In eerste instantie zal de medewerker hierbij de kinderen zelf een oplossing laten zoeken, waarbij zij echter in de gaten houdt of dit op een gelijkwaardige manier gebeurt. Kinderen moeten leren om rekening met elkaar te houden, te delen en samen te werken. Als dit echt niet lukt zal de medewerker een bemiddelende rol op zich nemen. De manier waarop dit gebeurd is afhankelijk van de leeftijd: kleine kinderen kunnen worden afgeleid, grotere kinderen kunnen worden gewezen op gedrag en regels.

Hij is helemaal weg van Snoopy

Wij brengen ons zoontje nu ruim een jaar naar Snoopy.

Google review, René Jurgens

Themamaand

Afgelopen maand hebben wij gewerkt rond het thema wilde dieren. Er werden leuke boeken [...]

Hitteprotocol

Met dit warme weer is ons hitteprotocol van kracht. Dit betekent dat wij een [...]