Ziekteprotocol

Kinderopvang Snoopy volgen een ziektebeleid dat is opgesteld na overleg met de GGD van de gemeente Apeldoorn en medewerk(st)ers van onze kinderopvang. Dit beleid wordt jaarlijks geëvalueerd en waar nodig bijgesteld.

Protocol ziekte

Richtlijnen bij ziekte van kinderen:

Na overleg met de GGD van de gemeente Apeldoorn en medewerk(st)ers van kinderopvang  Snoopy is een beleid opgesteld waarin is vastgelegd hoe te handelen bij ziekte van kinderen, wanneer kinderen niet naar het kindercentrum gebracht kunnen worden en in welke gevallen zieke kinderen op het kindercentrum opgehaald dienen te worden.
De infectieziektewet van de Inspectie voor de Gezondheidszorg vormt de basis voor dit beleid.

Hieronder leggen wij uit op welke wijze wij met deze verantwoordelijkheid omgaan en welke richtlijnen er in de praktijk door de groepsleiding gehanteerd worden. Uitgangspunt hierbij is en blijft de gezondheid van het kind en andere kinderen in de groep.

Jaarlijks is er een overleg met de GGD waarin de beschreven richtlijnen geëvalueerd en waar nodig bijgesteld zullen worden.

Leidinggevenden zijn (volgens art. 7 van de infectieziekten) verplicht melding te doen bij de GGD van het bestaan van een ongewoon aantal ziektes op locatie. Het betreft hierbij de volgende aandoeningen van vermoedelijk infectueuze aard, die ook gemeld worden aan ouders die van opvang op de betreffende locatie gebruik maken.

Preventie

Het kindercentrum heeft zelf een belangrijke preventieve taak ten aanzien van het voorkomen van infectieziekten. Het spreekt vanzelf dat toiletten, slaapkamers, keuken en speelruimtes dagelijks worden schoongemaakt. Tevens worden de groepen en slaapkamers dagelijks geventileerd. Desinfectie (met desinfecterende alcohol van 70%) wordt gedaan bij besmetting met bloed(producten), verdere desinfectie is in het kindercentrum niet noodzakelijk.

De zandbak wordt afgesloten tegen ongewenst katten- en/of hondenbezoek en het speelzand wordt regelmatig ververst. Handdoeken, washandjes, matrashoezen, verkleedkleren en dergelijke worden regelmatig verschoond.

“Handen wassen na het toiletbezoek en voor het eten” en “hand voor de mond bij hoesten of niezen” horen tot de dagelijks terugkerende preventieve maatregelen.

Uiteraard kunnen ook de leidsters in een groep een van de hieronder genoemde aandoeningen oplopen. Zij zullen echter, meer dan van de kinderen gevraagd kan worden, de preventieve maatregelen in acht kunnen nemen en hierdoor verdere besmetting voorkomen.

Inentingen

Alle kinderen die een kindercentrum bezoeken dienen ingeënt te zijn volgens het Rijksvaccinatieprogramma (met uitzondering van de DTP6 en BMR2).

Met ingang van 01.01.1999 ziet dit programma er als volgt uit:

–           DKTP1 en Hib 1                   2 maanden

–           DKTP2 en Hib 2                  3 maanden

–           DKTP3 en Hib 3                  4 maanden

–           DKTP4 en Hib 4                 11 maanden

–           BMR 1                                   14 maanden

–           DTP 5                                     4 jaar

–           DTP 6 en BMR 2                  9 jaar

De groepsleiding zal u vragen deze gegevens te tonen en melding te maken van de verdere vaccinaties die nog dienen plaats te vinden. Gezien de langere verblijfsduur op het kindercentrum waardoor het besmettingsgevaar groot is en de aanwezigheid van jonge, kwetsbare baby’s in het gebouw, zijn inentingen van groot belang. Zowel voor uw eigen kind(eren) als wel in het belang van de andere kinderen die in het kindercentrum aanwezig zijn.

De laatste inentingen DTP 6 en BMR 2 zijn echter voor het bezoeken van de opvangvoorziening niet meer verplicht. De besmettingsrisico’s zijn dan minder geworden omdat 90% van alle kinderen dan al beschermd is voor de ziektes door andere vaccinaties.

Met behulp van de vaccinatiegegevens die op het kindercentrum bekend zijn, kan er snel en adequaat worden gereageerd, als er besmettelijke ziektes uitbreken die risico’s met zich mee brengen en waarvoor uw kind nog niet is ingeënt. Dit zal in voorkomende gevallen in overleg met de GGD gebeuren.

Ook alle uitzonderingen die ouders, al dan niet in overleg met het betrokken consultatiebureau of arts maken, zullen met de GGD besproken worden. Het uiteindelijke advies van de GGD hierbij vormt voor ons de richtlijn bij handelen.

  • Alle kinderen die wij opvangen dienen ingeënt te zijn volgens het rijksvaccinatieprogramma, met uitzondering van BMR 2 en DTP 6.
  • Uitzonderingen worden altijd besproken met de GGD; hun advies is richtlijn voor het verdere handelen
  • De ouders tonen de vaccinatiegegevens van hun kind.

Signalering

De groepsleidster werkt met de groep kinderen en heeft daarbij oog voor het individuele kind. Zij weet hoe een kind zich normaal gesproken gedraagt. Kennis van het kind in normale omstandigheden en informatie van ouders over eventuele bijzonderheden zijn voor de groepsleidster van groot belang om te kunnen bepalen of er iets is waar zij zich zorgen over moet maken en waarover zij met de ouder moet overleggen. Ander gedrag dan een groepsleidster van het kind gewoon is, zonder dat daar door de ouders een verklaring voor is (zoals onrustige nacht, tandjes die doorkomen etc.) is voor de leidster een signaal dat er iets aan de hand kan zijn met het kind. Ook de lichaamstemperatuur kan hiervoor een signaal zijn.

Bij (vermoeden van) ziekte en om een inschatting te maken over de mate van ziek zijn zal de pedagogisch medewerker kijken naar de algehele toestand van het kind en niet uitsluitend naar een enkel symptoom. Daardoor kan de pedagogisch medewerker een juiste beslissing nemen als opvang op het kinderdagverblijf niet meer verantwoord is.

De pedagogisch medewerker observeert o.a.:

  • Eet, drink en slaapgedrag.
  • Of er sprake is van verhoging, ze maakt daarbij gebruik van een thermometer.
  • Speelgedrag, sociale contacten en deelname aan het groepsgebeuren.
  • Bij baby’s zal de pedagogisch medewerker extra goed letten op lichaamstaal zoals huilen, contact en beweeglijkheid.
  • Klachten die een kind aangeeft zoals buik en hoofdpijn.
  • Of er sprake is van diarree en/of overgeven.
  • Of er sprake is van uitdrogingsverschijnselen (droge luiers, huilen zonder tranen etc.).

Koorts

Koorts is geen ziekte op zich, maar een symptoom van iets wat mogelijk op dat moment nog niet zichtbaar is. Bovendien kan koorts bij kinderen snel hoog oplopen. Bij een lichaamstemperatuur van 38 graden of meer zal de leidster daarom altijd contact zoeken met de ouders om te overleggen over de situatie. Of op dat moment ook aan de ouders gevraagd wordt het kind zo snel mogelijk op te halen hangt af van diverse factoren: de mate waarin het kind ziek is of koorts heeft, de ruimte die er in de groep is om op dat moment het zieke kind wat extra aandacht en verzorging te geven, de mogelijkheden die de ouders hebben om het kind snel op te halen. In overleg wordt er geprobeerd tot een goede oplossing te komen. Indien nodig ligt de uiteindelijke beslissing hierover bij de groepsleiding.

De groepsleiding is tegen de ouders heel duidelijk over het ophalen bij ziekte. Als het kind écht ziek is moet het opgehaald worden en bij 39 graden koorts moet het kindje altijd opgehaald worden. Bovendien is het zo dat ook zonder koorts een kindje niet fit kan zijn en qua verzorging thuis beter op zijn/haar plaats is.

Koorts opnemen wordt als volgt gedaan:

Het kindje wordt  op de commode gelegd en  gerustgesteld c.q. afgeleid. Aan de thermometer wordt een beetje vaseline gedaan, zodat het wat soepeler gaat. De thermometer gaat in de billetjes van het kindje en men wacht tot de cijfertjes niet meer oplopen. Staan de cijfertjes stil, dan wordt de meter eruit gehaald en kan de temperatuur worden afgelezen. Het kindje wordt weer aangekleed.

De thermometer moet voor en na gebruik schoongemaakt worden met alcohol en weer veilig opgeborgen worden in een hoesje op de daarvoor afgesproken plaats.

Oogontstekingen

Infectueuze conjunctivitis (=oogontsteking) is een besmettelijke aandoening die onschuldig is en, net als een verkoudheid, in de regel binnen een week vanzelf overgaat, hoewel de aandoening als ze door een virus is veroorzaakt, soms wel enige weken kan duren. Indien de oogklachten gepaard gaan met een etterige afscheiding kan er een bacteriële infectie aan ten grondslag liggen. In dat geval kan het gebruik van antibiotica het herstel enigszins bespoedigen. In andere gevallen heeft de behandeling met medicijnen weinig zin en is regelmatig reinigen van het oog met gewoon leidingwater voldoende.

De groepsleiding besteedt extra zorg aan de preventie om verdere uitbreiding van de aandoening in de groep of in het kindercentrum zoveel mogelijk te voorkomen. Dus regelmatig handen wassen, met name na het schoonmaken van de ogen, zo min mogelijk in aanraking komen met de pus uit het oog (d.i. besmettelijk).

  • Kinderen met oogontstekingen kunnen niet worden ondergebracht in ons kinderdagcentrum. Na 48 uur behandeling met druppels of zalf zijn zij weer welkom.
  • Mocht een leid(st)er vermoeden dat oogjes zijn ontstoken, zullen wij nimmer een diagnose stellen. Wij zullen u in dat geval adviseren een huisarts te bezoeken.
  • Het gebruik van antibiotica kan het herstel van een bacteriële infectie bespoedigen.
  • Regelmatig schoonmaken van de aangedane ogen, handen wassen en zo min mogelijk in direct contact komen met de pus uit het aangedane oog.

Oorproblemen

Oorontsteking is een ontsteking van het middenoor en ontstaat vaak als een complicatie bij een verkoudheid en bij kinderen die hier gevoelig voor zijn. In de pus van een loopoor zitten weliswaar bacteriën maar andere kinderen krijgen hiervan geen oorontsteking. Uit hygiënische overwegingen is het raadzaam het oor af te plakken. Kinderen kunnen echter wel gewoon de kinderopvangvoorziening blijven bezoeken, mits zij zich verder niet ziek voelen en/of koorts hebben.

  • Kinderen met een loopoor hoeven niet geweerd te worden en kunnen de opvangvoorziening bezoeken
  • Uit hygiënische overwegingen kiezen wij ervoor het oor af te plakken.

Waterpokken

Waterpokken is een besmettelijke infectieziekte die veroorzaakt wordt door een virus. De incubatietijd is 14-21 dagen. Voordat de diagnose is gesteld kan dus de besmetting al hebben plaatsgevonden. Het heeft om die reden geen nut om vanwege het besmettingsgevaar kinderen met waterpokken te weren van het kindercentrum

De besmetting duurt totdat de blaasjes zijn ingedroogd. Als kinderen met waterpokken geen andere ziekteverschijnselen vertonen, zoals koorts, kunnen ze het kindercentrum gewoon blijven bezoeken.

  • Kinderen met waterpokken hoeven niet geweerd te worden van het kindercentrum, tenzij de kinderen te ziek zijn om in de groep te kunnen functioneren.

Diarree

Diarree wordt veroorzaakt door bacteriën of virussen. Beide zijn extreem besmettelijk. Of er sprake is van diarree wordt vastgesteld aan de hand van het aantal dunne poepluiers achter elkaar en het aantal kinderen in de groep wat diarree heeft. Het besmettingsgevaar lijkt dan groot te zijn, al is dit niet met zekerheid vast te stellen door de groepsleiding. Diarree kan immers ook andere oorzaken hebben: tandjes die doorkomen, iets verkeerd gegeten etc. De informatie van ouders is hierbij dus van belang om de juiste beslissing te kunnen nemen.

Kinderen met diarree dienen zo snel mogelijk opgehaald te worden en kunnen pas weer gebracht worden als de diarree over is en het besmettingsgevaar niet langer meer aanwezig is.

Als er meerdere kinderen in de groep diarree hebben neemt de leiding van het kindercentrum contact op met de GGD voor nader overleg.

Door de groepsleiding worden uiteraard de nodige hygiënische voorzorgsmaatregelen in acht genomen om het besmettingsgevaar zo minimaal mogelijk te houden.

  • Bij acute diarree wordt er overlegd met de ouders. Bij diarree zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak worden de kinderen zo snel mogelijk opgehaald.
  • Met de oudere kinderen worden er afspraken gemaakt over het in acht nemen van hygiënische maatregelen.

Herpesvirus

Een koortslip wordt veroorzaakt door het herpesvirus. Dit virus draag je je hele leven mee. Op tijden van verminderde weerstand kan de koortslip opnieuw optreden. Het virus wordt voornamelijk overgebracht door kussen en knuffelen. Preventieve hygiënische maatregelen zullen hierbij met de grootste zorgvuldigheid worden toegepast. Baby’s kunnen nog geen weerstand opbouwen tegen dit virus en bij een eventuele infectie ernstig ziek worden. Om die reden zullen mensen met een koortslip zoveel mogelijk geweerd worden van de babygroep. Als leidsters van een babygroep een koortslip hebben zullen ze daarom, indien noodzakelijk, niet in de babygroep werken tot de blaasjes genezen zijn,

  • Kinderen van 0-4 jaar kunnen het kindercentrum niet bezoeken totdat de blaasjes ingedroogd zijn

Luchtweginfecties

Kinderen in een groep lopen een grote kans besmet te raken met allerlei luchtweginfecties. Het respiratoir syndroom (afgekort tot RS) is een virusinfectie die vooral speelt in de periode van november tot januari. Het is een aandoening die veel overeenkomsten vertoont met een gewone verkoudheid, maar waarbij echter ook koorts aanwezig is. De aandoening kan variëren van bovenste luchtweginfectie, longontsteking, oorontsteking tot ernstige ademhalingsproblemen. Met name jonge kinderen (tot 12 maanden) en kinderen met verminderde weerstand zijn hiervoor extra vatbaar. De besmetting vindt gewoonlijk plaats via inademing en besmette oppervlaktes. De aandoening kan al besmettelijk zijn voordat de ziekte zich manifesteert. Dit maakt gerichte preventie moeilijk. Wel is hierbij van belang om de algemene preventieve maatregelen in acht te nemen (hoestdiscipline, gebruik van papieren zakdoekjes, schoonmaken van speelgoed, ventileren en dagelijks goed luchten).

In voorkomende gevallen zullen wij u vragen met uw kind naar de huisarts te gaan voor diagnose en behandeling. Aangezien de ziekte al voor het optreden van verschijnselen besmettelijk is, is besmetting van andere kinderen niet te voorkomen. In overleg met de GGD zal bekeken worden of er extra maatregelen in het kindercentrum genomen dienen te worden. Ouders van kinderen uit de genoemde risicogroepen ontvangen eventueel het advies hun kind tijdelijk thuis te houden.

Als een kind in het kindercentrum langdurig last heeft van hoestbuien zullen leidsters de ouders adviseren om contact op te nemen met de huisarts. Landelijk gezien neemt het aantal ziektegevallen van kinkhoest toe. Het kan dus gebeuren dat het kind kinkhoest heeft. Met name een droge harde hoest, eerst ’s nachts, later ook overdag met vaak een lange piepende ademhaling zijn hiervan de signalen. Baby’s tot 3 maanden en zwangere vrouwen in zwangerschapsperiode vanaf 34 weken vormen een risicogroep. Door middel van een keelkweek of bloedonderzoek kan worden vastgesteld of er sprake is van kinkhoest.

  • Kinderen met kinkhoest hoeven niet geweerd te worden van het kindercentrum. 

Hoofdluis

Waar grote groepen kinderen bij elkaar zijn, breekt regelmatig een besmetting met hoofdluis uit. Dit zien we op scholen, maar ook in de kindercentra worden we daarmee geconfronteerd. De luis veroorzaakt jeuk en legt eitjes dichtbij de hoofdhuid, met name achter de oren en in de nek. De besmetting vindt plaats door direct contact.

De bestrijding van hoofdluis is betrekkelijk eenvoudig maar dient zorgvuldig te gebeuren om verdere besmetting te voorkomen.

Wij vragen van u om bij de bestrijding van hoofdluis mee te werken aan maatregelen ter voorkoming van een verdere besmetting. In voorkomende gevallen zal er altijd in de kindercentra gemeld worden dat er hoofdluis is geconstateerd. Op het kindercentrum zijn ook folders aanwezig met nadere informatie over dit onderwerp.

U kunt uw bijdrage leveren door regelmatig uw kind te controleren. Bij hoofdluis dient het haar van uw kind gewassen te worden met een middel o.b.v. dimeticon. Daarnaast moet u dan ook twee weken het haar van uw kind kammen. Maandelijks worden alle kinderen bij ons door een leidster op hoofdluis gecontroleerd.

  • Bij hoofdluis van het kind altijd de groepsleiding hierover informeren
  • Indien bij uw kind hoofdluis/neten wordt geconstateerd, moet uw kind direct worden opgehaald en behandeld. Na behandeling kan uw kind weer worden opgevangen.
  • Folders met preventieve maatregelen zijn op te vragen bij het kindercentrum of de GGD

Krentenbaard

Krentenbaard (ook wel impetigo genoemd) is een zeer besmettelijke huidinfectie. De infectie uit zich eerst in de vorm van een bultje, en wordt daarna al snel een blaasje wat gevuld is met vocht. In dit vocht zitten bacteriën, die voor de besmettelijkheid zorgen. De besmetting vindt plaats via de handen, het kind kan zichzelf steeds besmetten door aan de puistjes te krabben. Goede hygiëne is van groot belang. Kinderen mogen de kinderopvang pas weer bezoeken als de blaasjes zijn ingedroogd, zodat verdere besmetting kan worden voorkomen. Wordt het kind behandeld met antibiotica dan kan het na twee dagen antibioticagebruik weer naar het kindercentrum.

Uiteraard kan ook een leid(st)er deze huidinfectie oplopen. De groepsleiding weet hoe te handelen om een goede hygiëne in acht te nemen en verder besmetting te voorkomen.

  • Kinderen kunnen de voorziening pas weer bezoeken als de blaasjes zijn ingedroogd of na minimaal 2 dagen gebruik van antibiotica.

De vijfde ziekte

De vijfde ziekte is een besmettelijke infectieziekte, die wordt veroorzaakt door een virus.

De ziekte komt het meeste voor bij kinderen in de basisschoolleeftijd.Voor kinderen is het een onschuldige ziekte, maar infectie in de eerste helft van de zwangerschap kan het risico op complicaties later in de zwangerschap vergroten. De verschijnselen van de vijfde ziekte zijn grote en kleine rode vlekken, die beginnen in het gezicht, vooral op de wangen, en zich verspreiden over het hele lichaam. De vlekken trekken na een week weg. Daarna kunnen de vlekken echter onder invloed van warmte, kou, inspanning en stress gedurende enkele weken steeds weer terugkomen voordat ze definitief verdwijnen. Het kind krijgt lichte koorts.

Het virus verspreidt zich via hoesten en niezen door kleine, in de lucht zwevende vocht druppeltjes afkomstig uit de neus- en keelholte van het zieke kind. Kinderen met de vijfde ziekte zijn besmettelijk in de week voorafgaand aan de huiduitslag. Zodra de uitslag verschijnt, zijn ze niet besmettelijk meer. Wering van kinderen met de vijfde ziekte is niet zinvol. Op het moment dat de diagnose gesteld wordt, is het kind niet besmettelijk meer.

  • Kinderen met de vijfde ziekte hoeven niet geweerd te worden van het kindercentrum.
  • Kinderen met de vijfde ziekte zijn besmettelijk in de week voorafgaand aan de huiduitslag. Zodra de uitslag verschijnt, zijn ze niet meer besmettelijk.
  • De vijfde ziekte kan gevaarlijk zijn in de eerste 20 weken van de zwangerschap, alleen bij intensief contact met het zieke kind. Bij vluchtig contact (halen en brengen) is het risico besmet te raken te verwaarlozen.

De zesde ziekte

De zesde ziekte is een infectieziekte veroorzaakt door een virus. Het is een onschuldige ziekte die spontaan geneest. De zesde ziekte komt vooral voor bij kinderen onder de drie jaar. De verschijnselen zijn o.a. gedurende een paar dagen hoge koorts (boven de 39°C), als complicatie kan soms een koortsstuip optreden door de snel oplopende koorts.

Ongeveer 3 tot 5 dagen na het zakken van de koorts verschijnen er kleine rode vlekjes op de romp (meestal niet op armen, benen en gezicht).

Het virus verspreidt zich door hoesten en niezen via kleine, in de lucht zwevende vochtdruppeltjes. De ziekte is besmettelijk vanaf het moment dat de koorts opkomt, totdat de vlekken zijn verdwenen. Wering van het kindercentrum is niet noodzakelijk omdat het een onschuldige ziekte betreft.

  • Wering van het kindercentrum is niet noodzakelijk omdat het een onschuldige ziekte betreft.
  • De ziekte is besmettelijk vanaf het moment dat de koorts opkomt, totdat de vlekken zijn verdwenen.

Algemeen

Bij alle ziektes en aandoeningen die uw kind treffen is de leiding van het kindercentrum degene die uiteindelijk bepaalt of het kind al dan niet het kindercentrum kan bezoeken of opgehaald dient te worden. Zij weegt daarbij in geval van twijfel uw belangen als ouder en die van de andere kinderen in de groep tegen elkaar af. Het is echter in een ieders belang dat we die afweging zo zorgvuldig mogelijk proberen te doen, vanuit de verantwoordelijkheid zoals we die voelen voor alle betrokkenen.

Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van kinderopvang en de ouders om de spiraal van infecties zoveel mogelijk te doorbreken: dit betekent voor de groepen preventief werken en voor de ouders betekent dit dat zieke kinderen niet toch naar het kindercentrum worden gebracht.

  • Zieke kinderen worden niet naar de opvangvoorziening gebracht
  • Groepsleiding neemt het uiteindelijke besluit
  • Bij twijfel is het advies van de GGD een richtlijn voor ons verdere handelen.

Aanvulling t.a.v. ouders bellen:

Als de groepsleiding iets signaleert bij een kindje, vindt er overleg plaats met collega’s.

Denken ze aan iets besmettelijks, dan worden de ouders telefonisch op de hoogte gesteld. Bij dit gesprek wordt er door de groepsleidster letterlijk gezegd: “Wij stellen geen diagnose, maar wij denken aan ….. Wij adviseren u met uw kindje langs de huisarts te gaan. Wij begrijpen dat dat lastig voor u is, maar als het niets besmettelijks blijkt te zijn kan uw kindje meteen weer terugkomen.”

Bij twijfel zal zij altijd de leiding of directie op de hoogte stellen.

Het kan wel eens voorkomen dat een leid(st)er de ouders verzoekt hun kind op te halen omdat ze denkt dat het een besmettelijke aandoening heeft, terwijl later blijkt dat dat niet het geval was. Dit dagdeel mag dan worden ingehaald. Het is de taak van de groepsleiding de ouders hierover in te lichten.

In onze entree, op het mededelingenbord, geven wij aan of er een ziekte heerst op een bepaalde groep, met daarbij een korte uitleg over de betreffende ziekte.

Hij is helemaal weg van Snoopy

Wij brengen ons zoontje nu ruim een jaar naar Snoopy.

Google review, René Jurgens

Themamaand

Afgelopen maand hebben wij gewerkt rond het thema wilde dieren. Er werden leuke boeken [...]

Hitteprotocol

Met dit warme weer is ons hitteprotocol van kracht. Dit betekent dat wij een [...]